Hoe de vrije markt onvermijdelijk leidt tot groeiende sociale ongelijkheid en economische stagnatie

Sociaal-economisch historicus Bas van Bavel laat in De onzichtbare hand; hoe markteconomieën opkomen en neergaan zien dat de opkomst van een vrije markteconomie overal geleid heeft tot opeenhoping van het kapitaal bij een zeer kleine groep rijken. Dit gaat ten koste van de rest van de samenleving. De economische elite weet de staat en de burgers van haar krediet afhankelijk te maken en het rechtssysteem in haar voordeel om te buigen. Gesteund door de dwangmiddelen van de staat groeit haar kapitaal verder ten koste van een stagnerende economie. De financiële markten worden in deze ontwikkelingsfase zodanig dominant dat er te weinig kapitaal over is voor productieve investeringen in de reële economie. Via overerving houdt de elite haar positie in stand. Ik vind dit schokkend. Want dit beeld is ook van toepassing op de actuele toestand van de Westerse wereld. Is daar dan niets tegen te doen?

 

Hoe het werkt

Van Bavel onderzocht de meest gebruikte voorbeelden van opkomst en ondergang van “vrije” markteconomieën. Irak van het jaar 500 tot 1100, Noord Italië van 1000-1500, de Nederlanden van 1100-1800 en Engeland van 1500-1950. Kenmerkend voor deze “vrije” markteconomieën is dat niet alleen de goederenmarkt, maar ook grond, arbeid en kapitaal via de markt worden toegewezen. Van Bavel noemt deze markten de factormarkten, omdat dit de productiefactoren zijn in de economie. Hij ontdekt welke mechanismen schuil gaan achter de cyclus van opkomst en verval. Telkens is er eerst een fase waarin er een brede verdeling is van bezit en politieke invloed. Later komen dan de schrijnende ongelijkheid en het economische verval.

 

Bas van Bavel Fotograaf Ed van Rijswijk

Bas van Bavel. Foto: Ed van Rijswijk

De Nederlanden

Ik gebruik de Nederlanden als voorbeeld. In de Nederlanden nam in de twaalfde eeuw de helft van de hoofden van huishoudens deel aan de politieke besluitvorming, die vooral plaats vond in steden en dorpen. Veel mensen hadden ook een eigen stuk grond en konden buiten de arbeidsmarkt om zo al in een deel van hun behoeften voorzien. Bij de opkomst van de factormarkten was van belang dat de staat bijvoorbeeld toewijzing van eigendom goed wettelijk regelde. En rechtbanken een onafhankelijke rol kregen in bijvoorbeeld de toetsing van de geldigheid van pachtcontracten. De eerste fase van een markteconomie volgens de definitie die Van Bavel hanteert, dus inclusief de factormarkten, leidde enerzijds tot de beschikbaarheid van anders ongebruikte hulpbronnen, bijvoorbeeld braak liggend land, en zo tot productieve investeringen. Anderzijds ging met het terugdringen van andere manieren om grond toe te wijzen, zoals het geval was bij de gemeenschappelijke gronden, sociaal kapitaal verloren. Daarbij waren namelijk wederzijds vertrouwen, samenwerking en gelijkwaardigheid uitgangspunt geweest. Nu kwam anonieme, amorele marktmacht hiervoor in de plaats.  Mensen die hun grond kwijt waren geraakt, werden geheel afhankelijk van de arbeidsmarkt.

De ontwikkeling van de markeconomie leidde in de Nederlanden aanvankelijk tot groei, waarvan veel mensen konden profiteren. Later kwam er meer ongelijkheid. Geleidelijk accumuleerde het kapitaal in steeds minder handen. Ten tijde van onze Gouden Eeuw waren er inmiddels vele armen. Maar de groep welgestelden besteedde haar rijkdom deels aan schilderijen en bracht zo een bloeiende schilderkunst op gang. De koopmanselite wist de politieke macht in Amsterdam en de Republiek steeds meer in haar dienst te stellen. Het gezag over de VOC was niet meer in handen van gewone aandeelhouders, maar van de Heren XVII, de directeuren, die uit de grootste aandeelhouders werden gekozen. Van de vermogens in Amsterdam was ongeveer een derde in handen van de rijkste 1%. Zonder uitzondering kooplieden. Burgers in stedelijke raden werden door coöptatie benoemd,doorgaans leden van een steeds kleiner wordende kring van families. Er ontstond een regentenoligarchie. Belastingtarieven op buitenlandse handel en commercieel kapitaal gingen omlaag. Terwijl het aanvankelijk mogelijk was met kleine bedragen in te schrijven op staatsschuld, werd het minimale bedrag ten tijde van de Republiek groter. Alleen welgestelde mensen profiteerden nog. Tegelijkertijd kwamen de meeste belastingopbrengsten uit accijnzen op de eerste levensbehoeften, en die drukten vanzelfsprekend het sterks op de legere klassen. Dat geld werd vooral besteed aan rentebetalingen op overheidsschulden en militaire uitgaven. Met huursoldaten werden relletjes en opstanden onderdrukt. Vooral de voorheen onafhankelijke ambachtslieden, kleine boeren en neringdoenden en de loonarbeiders werden opgenomen in een arme onderlaag. Arbeiders in nijverheid en bouw verdienden in de zeventiende eeuw een lager reëel loon dan hun tegenhangers rond het jaar 1300! In de tweede helft van de zeventiende eeuw moest Nederland zijn toonaangevende economische positie afstaan aan Engeland, voor een flink deel met behulp van kapitaal dat afkomstig was van de Nederlandse elite, die er een goede belegging in zag.

 

Dilemma

Van Bavel legt in zijn naschrift ook het verband met de huidige situatie. In alle historische voorbeelden is het niet gelukt het tij te keren. De macht van de elite was eenvoudig te groot geworden en teveel verweven met het staatsbestel. Hij ziet weinig aanleiding om te veronderstellen dat het nu anders zal gaan. Alhoewel hij dat wel zou wensen. Ik denk zelf, dat het tij wel gekeerd kan worden als we de vrije markt niet langer toelaten om ook de factormarkten tot zich te trekken. Van Bavel heeft nog altijd het idee dat de toewijzing van kapitaal, arbeid en grond toch via een goed gereguleerde markt zou moeten gaan. Anderzijds zoekt hij naar nieuwe vormen en organisaties om grond, arbeid en kapitaal samen te brengen, buiten de markt en de staat om. Over hoe dat eruit kan zien, laat hij zich niet uit. Bij het tweede uitgangspunt ligt mijns inziens de ruimte voor het keren van het tij. Over hoe dat kan heb ik al regelmatig geschreven op deze website. Het meest expliciet in de blogs over sociale driegeleding. Daar staat in dat kapitaal, arbeid en grond niet in de economie opgezogen moeten worden, maar vanuit het rechtsleven moeten worden geregeld. Waarin iedereen op basis van gelijkwaardigheid moet kunnen participeren.

https://feikovanderveen.wordpress.com/2017/12/29/hoe-maken-we-de-economie-gezond/

 

Één reactie Voeg uw reactie toe

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s