Rudolf Steiner pleitte ruim honderd jaar geleden voor een andere inrichting van de maatschappij. Zijn visie is mijns inziens actueler dan ooit. Hij plaatst de economie binnen een samenleving met drie zelfstandige geledingen: het culturele- of geestesleven, het politieke rechtsleven en het economisch leven. De eenheidsstaat, die nu in theorie de baas van alles is, maar in de praktijk afhankelijk van het huidige, vaak louter winstgedreven kapitalisme, wordt als centrum van het geheel vervangen door drie onafhankelijke, maar op samenwerking aangewezen bestuurlijke centra. De drie geledingen besturen zichzelf met elk een eigen bestuursprincipe: vrijheid voor het geestesleven, gelijkheid voor het rechtsleven en broederschap voor de economie. In de economie worden de kapitaalmarkt, de grondmarkt en de arbeidsmarkt opgeheven. Door privébezit van kapitaal als zodanig ontstaat namelijk geen economische waarde. Maar de bezitters van deze rechten moeten wel betaald worden. Hierdoor ontstaan oneerlijke prijzen. Daarom zijn deze gebieden ten onrechte binnen het economisch domein getrokken. De aanwending, het gebruik van kapitaal, is wel waardevormend. In de sociale driegeleding wordt het gebruik van kapitaal toegewezen door van het bedrijfsleven onafhankelijke organisaties in het culturele leven. Het rechtsgebied bepaalt de rechten van mensen op onderwijs, gezondheidszorg en overige culturele zaken. Dat zien we allemaal terug in de kringloop van het geld. In deze blog bespreek ik welke plaats geldschepping daarin zou kunnen spelen. Ik transformeer daartoe het economische model van Bezemer uit Het kleine bufferkapitalisme, dat de huidige wisselwerking tussen de reële en de financiële economie weergeeft. Maar eerst bespreek ik hoe de geldschepping op dit moment nog tot stand komt.
Geldschepping nu
In ons huidige kapitalisme wordt meer dan negentig procent van ons geld geschapen door de commerciële banken. Hun belangrijkste doelstelling is om er geld aan te verdienen: kapitaalvermeerdering. Het geld wordt geschapen als een lening en dus een schuld, die met rente moet worden terugbetaald. Zie het schema van de versimpelde bankbalans hieronder *). Wanneer

een bank een lening verstrekt, is de uitstaande lening een nieuwe bezitting voor de bank; de lener heeft nu een schuld dient deze met rente terug te betalen. Tegelijkertijd schrijft de bank een giraal tegoed bij op de rekening van de klant die de lening aangaat. Dit girale tegoed is een schuld van de bank aan de rekeninghouder; de rekeninghouder kan dit tegoed desgewenst opnemen in contanten. Als die dat doet moet de bank hiervoor dekking zoeken op de kapitaalmarkt (overige schulden). Als de lening wordt afbetaald, verdwijnt het daartoe geschapen geld ook weer. Ondertussen heeft de bank daar wel winst op gemaakt.
Nieuw geld is maatschappelijk inderdaad nuttig als er gewenste technologische innovaties mogelijk mee worden gemaakt. Denk bijvoorbeeld aan milieutechnologie. Maar helaas is het nu zo dat de financiële sector netto geld onttrekt aan de economie. Dirk Bezemer zegt hierover: “De financiële sector en de vermogensmarkten zijn juist de plekken geworden waar het proces van financiële duurzame groei spaak loopt.Stijgende prijzen van aan- delen en andere vermogenstitels en van vastgoed gaan steeds meer geld aantrekken, ook in de vorm van leningen en dus groei van schulden.“ Ik schreef eerder al een blog over het model van Bezemer ****). Dit geeft de relatie weer tussen de reële sector en de financiële sector. De rode pijlen zijn de drijvende krachten.

Ik ga nu in dit model geldstromen in de sociale driegeleding inkleuren. Daarbij vormt geldschepping geen schuld meer, en zijn de vermogens- en vastgoedmarkten opgeheven, zoals ik boven al aangegeven heb. In mijn model laat ik dat weg. De investeringen in natuurlijk kapitaal heb ik in mijn model als milieuprijzen opgenomen in de productprijzen. Zij zijn geen externaliteiten meer. De culturele sector komt grotendeels overeen met het maatschappelijk en menselijk kapitaal in het model van Bezemer.
Drie manieren waarop economische waarde wordt gevormd
Arbeid en goed ondernemerschap scheppen reële economische waarde. De economische waarde die voortkomt uit investeringen in het culturele leven wordt pas in de toekomst zichtbaar. Steiner onderscheidt in de economie drie geldsoorten. Koopgeld dient om goederen te kopen. Leengeld dient vooral om nieuwe productie in bedrijven mogelijk te maken. Schenkgeld wordt besteed in de culturele sector. Elke burger kan de besteding van zijn of haar budget voor het culturele leven zelf bepalen. Zo hebben ouders bijvoorbeeld een recht om het onderwijs van hun kinderen te betalen. Als het nodig is kan de overheid daarvoor een heffing opleggen. De drie geldsoorten vormen elk in hun eigen ritme een kringloop.
Leengeld dat in bedrijven wordt geïnvesteerd door goed ondernemerschap levert reële economische waarde op: immers met bijvoorbeeld machines worden goederen gemaakt. Ook schenkgeld is een investering. Onderwijs is bijvoorbeeld deel van de culturele sector. En zonder gezonde en goed opgeleide mensen kan niets geproduceerd worden. Alleen levert schenkgeld op het moment dat het wordt gebruikt nog geen economische waarde op. Dat zal in de toekomst moeten gebeuren. Zo zien we de drie geldkringlopen nummer 1, 2 en 3 ontstaan, die in de tijd gezien elk een verschillend ritme hebben. Arbeid levert in een gezonde economie direct producten en daarmee economische waarde op. Producten kunnen direct worden gekocht met koopgeld. Leengeld gaat jaren mee. Nieuwe investeringen in bedrijven worden in een aantal jaren afgeschreven. Elk van die jaren dragen ze een stukje bij aan de vorming van economische waarde.

Alleen schenkgeld levert geen economische waardevorming op. Indirect, in de toekomst, wel. Het is uiteindelijk misschien zelfs wel het meest productief. Maar dat zal pas later blijken. In de kringloop nummer 3, die van het schenkgeld, zit dus een hiaat tussen het uitgeven van geld en het scheppen van nieuwe economische waarde. De waardevormende kringloop eindigt hier bij het doen van de uitgaven. De eventuele omzetting hiervan in economische waarde ligt in grondde toekomst. In die zin is de kringloop hier onderbroken. Vandaar het stippellijntje van de culturele sector in de reële sector naar de geldschepping in de financiële sector.
De kringlopen nummer 1, 2 en 3 op de tekening zijn denkbeeldig, omdat alle bestedingen met koopgeld in de reële economie worden gedaan. Zolang de productie op peil blijft, behoud het koopgeld zijn functie en waarde. Het kan door blijven stromen. Maar van alle drie geldsoorten worden goederen gekocht. Leengeld wordt immers besteedt aan bijvoorbeeld machines, schenkgeld aan bijvoorbeeld salarissen voor onderwijzers, schoolgebouwen enzovoort. Dat geld stroomt terug in de reële economie.
En wat is nu in de driegelede samenleving de functie van de financiële sector? Ten eerste zal geld opzij gelegd worden als buffer voor toekomstige uitgaven, voorzien en onvoorzien: pijlen van kringloop nummer 4. De economie is immers altijd in beweging. En niet alles is voorspelbaar en berekenbaar. Naarmate meer mensen en bedrijven hun buffer met elkaar delen, is de flexibiliteit om schokken op te vangen groter. De in de associaties samenwerkende bedrijven kunnen elkaar van krediet voorzien. Jongeren en ouderen kunnen elkaar ondersteunen als in verschillende leeftijdsfasen een andere behoefte aan geld is. Een oudedagsvoorziening is bijvoorbeeld in een omslagstelsel, zoals de AOW, waar de premie van werkende mensen direct besteed wordt aan de uitkering voor ouderen, goedkoper dan via een pensioenfonds, dat geld opzij legt voor later (misschien wel 40 jaar later). Als bedrijfsinvesteringen niet worden betaald uit de winst kan voor uitbreiding van de productie geld worden geleend. Daar kan het geld uit de buffer ook voor gebruikt worden. Ook deze kringloop 4 van het geld loopt weer anders in de tijd. Grilliger. De behoefte aan extra geld in de toekomst is deels onvoorspelbaar.
Geldschepping nieuw model
Zoals reeds vermeld bestaat in de sociale driegeleding de geld=schuldcreatie door de commerciële banken niet meer. Die functie uit het model van Bezemer heb ik hier niet meer opgenomen. Hoe zit het nu dan met de geldschepping, de pijlen van kringloop nummer 5? Uitgangspunt is dat geldstromen parallel moeten lopen met de vorming van reële economische waarde. Het geld moet – met andere woorden – “vol geld” zijn. **) Daarom moet de geldhoeveelheid kunnen krimpen of uitzetten, afhankelijk van de reële waardevorming in de economie. In de consumptie wordt economische waarde immers vernietigd. Als er teveel koopgeld is, ontstaat inflatie. Volgens Steiner moet een teveel aan koopgeld omgezet worden in leengeld. Een teveel aan leengeld leidt in een kapitalistische economie makkelijk tot ophoping in grond (stijgende huizenprijzen) en privé-vermogens. We zagen dat door de grondmarkt en de privé-kapitaalmarkt op te heffen, het leengeld zich daarin niet meer kan ophopen. En een teveel aan leengeld moet volgens Steiner besteed worden als schenkgeld. Door het in de culturele sector te besteden, wordt opeenhoping van geld voorkomen. Hoe kan nu gezorgd worden dat er niet teveel geld in omloop komt? Er is maar één munt of valuta waarmee alle aankopen worden gedaan. Op grond van welke functie het geld economische waarde heeft gekregen, is daar niet aan af te lezen. Volgens Steiner moet nieuw geld een geldigheidstermijn mee krijgen. Na afloop van die termijn verdwijnt het uit de roulatie. Daardoor neemt de geldhoeveelheid op termijn vanzelf af. Door te schuiven met de uiterste houdbaarheidsdatum kan de geldhoeveelheid groter of kleiner worden. Afhankelijk van de ingestelde termijn is hetzelfde geld korter of langer in omloop, waarmee de geldhoeveelheid kleiner of groter zal zijn. De grote kunst wordt dan om te bepalen wat de juiste termijn voor nieuw geld is, opdat de geldhoeveelheid de komende periode overeen zal komen met de totale bestedingen.
Maar evenals de juiste totale geldhoeveelheid zal ook het gezonde evenwicht tussen de drie geldstromen telkens gevonden moeten worden. Direct overleg tussen de besturen van het rechtsleven, de economie en het culturele leven kan daarin een rol spelen. Door het lange termijn effect van de culturele sector zal naar verwachting de productiviteit stijgen. De zo gerealiseerde economische waarde kan gebruikt worden om rechten op cultuur en daarmee de bestedingen daaraan uit te breiden. Maar ook om minder te gaan werken. Anderzijds zou een stijging van de milieukosten ervoor kunnen zorgen dat er een keuze gemaakt moet worden tussen juist meer werken of minder consumeren. De economische ontwikkeling staat nooit stil.
Uitvoering
De economie wordt in de driegeleding bestuurd door samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, consumenten en de handel. Ze worden associaties genoemd. Er is zeker nog een rol voor banken. Maar in de driegelding werken zij in dienst van de associaties. De associaties kunnen constateren waar geldontwaarding optreedt, overtollig leengeld is ontstaan, of teveel geld in omloop is. Nieuwe geldschepping is nodig als tegenhanger van uitgaven in de culturele sector. Maar de geldigheidstermijn daarvan zal telkens opnieuw bepaald moeten worden. Ja, om gezond te blijven heeft de levende economie geldstromen nodig die meebewegen.
De technische uitvoering van de geldschepping doen de banken. We leven inmiddels in het digitale tijdperk. Ook geldgebruik is grotendeels digitaal in Nederland. Daarin kan de mogelijkheid om de looptijd van geld te laten eindigen worden geprogrammeerd. De Stichting Stro faciliteert alternatieve valuta, zoals lokale munten, in Alkmaar de ‘vix’ ***). Interessant vind ik, dat in hun software een geldigheidstermijn kan worden ingesteld, waarmee geschoven kan worden. Vóór de einddatum moet het worden uitgegeven. Hier wordt dus al ervaring opgedaan met het instellen van een geldigheidstermijn van e en valuta.
Tenslotte
De ontwrichtende tegenstellingen in de samenleving nemen nog steeds toe. Oplossingen voor toenemende sociale ongelijkheid en desastreuze klimaatverandering lijken niet in zicht. Al staat inmiddels wel het kapitalisme weer ter discussie. Naar mijn mening kan de sociale driegeleding zicht bieden op een alternatief. Bruikbaar voor initiatieven van onderop als ook op politiek niveau. Ik schreef er al verschillende blogs over. Hieronder staan enkele verwijzingen.
Noten:
Mijn voornaamste bron voor het Model geldschepping in sociale driegeleding is: Rudolf Steiner: Economie; de wereld als één economie, Nearchus, 2016
*) Bron: Geld en Schuld: De publieke rol van banken, synopsis WRR-rapport, 2019, p. 6
**) Zie opiniestuk van Burgerinitiatief Ons Geld: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/geld-als-schuld-beklemt-de-samenleving~be9f3799/ of informatie over referendum Zwitserland ‘voll Geld’: https://www.vollgeld-initiative.ch/infomaterial-zum-downladen/
***) https://vix.nl/faq Hoe, en na hoeveel tijd, kan ik met mijn circulaire geld euro’s kopen?
Eerdere blogs van mij over geldschepping en/of sociale driegeleding:
****) https://feikovanderveen.com/2021/03/25/dirk-bezemer-over-ons-land-van-kleine-buffers/